Welcome To The Psycho-Analysis Entry on The Interzone Website Lacan wijst in zijn psychoanalytische theorie een centrale rol toe aan de taal daar deze de mens oproept tot de orde van zijn cultuur. In taal formuleert hij ook zijn verlangens en verwachtingen. Taal is zijn regel. In taal tracht hij zijn verschil duidelijk te maken. Regel en verschil horen bijeen, zozeer zelfs dat het onderscheid vaak weg valt te redeneren : de uitzondering bevestigt de regel. Voor Lacan is het interpersoonlijke van dit taalgebeuren uitermate belangrijk : zijn psychoanalyse is sterk relationeel gekleurd. Bovendien heeft zij een antropologische dimensie : het gaat Lacan om de positie van de mens ten opzichte van de taal en de cultuur en ten opzichte van de ander. Zijn theorie heeft bijzondere consequenties voor de therapeutische praktijk en voor de theorie van de psychose. We zien dat hij de fundamentele begrippen en gedachten van Freud kritisch her-denkt met de nadruk op de taal. Door zijn interesse in de taal is hij bij de literatuurwetenschappers een belangrijk bestudeerd persoon. Lacan is ook heel filosofisch aangelegd en verwijst vaak naar Aristoteles, Descartes, Spinoza, Hegel, Heidegger, enz. Samen met Foucault, Derrida en Lyotard wordt hij gerekend tot de belangrijkste representanten van de stroming in Franse filosofie die de antisubjectfilosofie genoemd wordt. Deze filosofie is een reactie op het traditionele eenheidsdenken. Kortom het idee van de mens als subject van de geschiedenis vormt een misvatting. De taal is in het werk van deze filosofen een belangrijk aanknopingspunt. De verschillen tussen deze filosofen spitsen zich vervolgens vooral toe op een viertal aspecten: het samenvallen van de taal en het vertoog (Foucault), de plaats die het individuele spreken kent ten opzichte van de taal (Lacan), het verschil tussen spreken en schrijven (Derrida) en de kwestie van de pragmatiek van de verhalende kennis en de zelflegitimatie van de wetenschappelijke kennis (Lyotard). Lacan zegt dat de mens een “parlêtre” is (een door taal bepaald wezen), een wezen dat spreekt, “ça parle” ! De mens is geen oorspronkelijk subject, maar wordt in en door de taal gevormd. De taal bevat de menselijke code. Kenmerk van het wezen is dat het spreekt. Niet het menselijk subject maar de taal vormt het ordenend principe in het denken. Freud plaatst het `ik’ in een benarde positie tussen Es en Ùber-Ich. Lacan radicaliseert het model van Freud en brengt het buiten het bereik van allerlei analoge interpretaties. Hij stelt dat het ontstaan van het `ik’ samenvalt met de toegang tot de taal. Het is de taal waaraan het sprekend subject zijn identiteit ontleent en waaraan het tegelijk ondergeschikt is. Freud hecht veel belang aan de taal, zijn analyse wordt ook ‘talking-cure’ genoemd, doch hij legt niet de nadruk op taal als basis voor het ontstaan van het ik. Lacan legt de menselijke situatie uit aan de hand van het verschil tussen behoefte, vraag en verlangen. De redenering van Lacan is even eenvoudig als revolutionair (Lacan 1966). Er is geen menselijke behoefte mogelijk die – om vervuld te worden – zonder een andere mens kan. Daarom formeert de behoefte een vraag aan een andere mens. In deze vraag verschijnt de behoefte opnieuw. Echter niet als zichzelf maar bemiddeld in de taal. Dat is de reden waarom wij moeten leren spreken en waarom de taal boven ons moet staan. Boven ons wil zeggen dat de taal symbolisch moet zijn: de taal moet de kwaliteit hebben iets (de behoefte) naar een ander niveau (vraag) te tillen. Daarmee komt een systeem op gang dat niemand bezit en dat juist daardoor vrij, voor iedereen bruikbaar is. In principe leert de mens al vroeg (als kind) de taal te hanteren. Het kunnen hanteren van de taal verschaft het kind zijn `andere-ik’. Het kind krijgt een naam en daarmee zijn ‘buitenkant’ toebedeeld. `Ik’ (1e persoon, de binnenkant) ben tegelijk ook `zij/hij’ (3e persoon, de buitenkant). De 1e persoon en 3e persoon zijn dezelfden maar toch ook niet: daar zit het spreken (de taal) tussen. Om deze reden noemt Lacan het spreken een vorm van vervreemding, maar het is nu juist deze vervreemding die recht doet aan het oorspronkelijke model van Freud. De taal vormt de scheiding tussen de 1e en 3e persoon. Om te spreken is het `ik’ gespleten. De taal vormt zowel de scheiding binnen het subject als de verbinding tussen subjecten onderling. Lacan situeert hier het derde element: het verlangen. De scheiding die het spreken `betekent’, vormt het verlangen naar volledig begrip. Het betreft het verlangen naar de situatie waarin de taal opgeheven zou zijn en de behoefte met zichzelf en ieder ander zou samenvallen. Maar zo werkt het niet. In het feit dat de mens spreekt, wordt steeds opnieuw het verlangen geboren. Het verlangen is een eeuwig verglijdend verlangen. Het spreekt. Ook het onbewuste gaat Lacan verbinden aan de taal, zo o.a. de droom. Hij zegt dat men de droom kan verwoorden (men herinnert zich een droom en vertelt deze, geeft er woorden aan), daardoor moet er ergens een link bestaan tussen het onbewuste en de taal. “L’inconscient est structuré comme un langage”. Lacan heeft het over de dialectiek van het spreken, over de betekenaar die het subject voorstelt voor een andere betekenaar, over de scandering van het verlangen in het spreken, een ontwikkeling die rond 1970 zijn neerslag vindt in de discourstheorie. Jacques Lacan heeft psychoanalytici het oeuvre van Freud leren lezen als een parcours waarin Freud stap voor stap antwoord heeft gezocht op de vragen die zich aandienden in de psychoanalytische kuur. Zo heeft Freud zich bij voorbeeld slechts moeizaam kunnen ontdoen van de theorie van de seksuele verleiding. Eerst was het de verleiding door de vader. (“Ik geloof mijn hysterica niet meer.” Brief aan Flieb van 21 Sept. 1887) Later, met de ontdekking van het zogeheten preoedipale (tussen 1925 en 1932), werd het verleiding door de moeder. Pas in zijn laatste en postuum gepubliceerde geschriften is Freud uitgekomen bij de Ichspaltung. Het menselijk wezen is een gedeeld subject. Onder het motto “terug naar Freud” heeft de Franse psychiater en psychoanalyticus Jacques Lacan met zijn onderwijs een grondige vernieuwing van de theorie en de praktijk van de psychoanalyse bewerkstelligd, die de ‘schoolboeken – psychoanalyse’ op zijn grondvesten heeft doen daveren. In 1953 is hij begonnen met zijn seminaries en heeft deze voortgezet tot aan het einde van zijn leven. De subversieve dimensie van Freuds ontdekking van het onbewuste, die na Freud aan het dichtslippen was, heeft hij opnieuw geopend. Wat onaf gebleven was bij Freud, heeft hij verder uitgewerkt. In eerste instantie heeft hij de psychoanalyse voorzien van zijn fundamentele noties zoals het verlangen, het subject, de betekenaar, het spreken, de fallus en de waarheid. Hiertoe maakte hij gebruik van de meest recente ontwikkelingen in het domein van de linguïstiek en de culturele antropologie die vanaf de jaren twintig het landschap van de humane wetenschappen grondig hebben gewijzigd. De mens is niet zoals een dier dat zich progressief aanpast aan zijn omgeving. Onze omgeving, de wereld, de anderen bestaan doordat ze voor ons betekenis krijgen. Dit maakt dat de mens een uitzonderlijke verhouding heeft met zichzelf, met zijn verlangen, zijn angst en genot. Logisch dat Lacan zich eveneens bediend heeft van onze rijke filosofische traditie, vanaf de Grieken tot de modernen. Niet aflatend baseerde hij zich op de bevindingen uit de psychoanalytische praktijk voor wat deze kliniek ons reveleert aangaande het wezen van de mens. Bijdragen van vooraanstaande psychoanalytici zoals M. Klein of D. Winnicott werden verhelderend herwerkt. Zijn bekommernis én stoutmoedigheid waren de psychoanalyse rationeel en wetenschappelijk te gronden, ingaand tegen een mystificeren van het menselijk lot of een obscurantisme. Zijn boek “Ecrits” (1966) werd vermaard tot buiten de grenzen van de psychoanalytische kringen. In 1964 heeft zijn onderwijs en de vernieuwing op het vlak van de praktijk die erin besloten lag, geleid tot een schisma met de gevestigde psychoanalytische instanties. Tegen zijn wil in werd Lacan geëxcommuniceerd zoals hij zelf zijn uitsluiting heeft genoemd. In een antwoord hierop stichtte hij zijn eigen School: eerst de École Freudienne de Paris die later de École de la Cause Freudienne zal worden. Zijn verder onderwijs, Freud voorbij en kapitaal voor de psychoanalyse, is buiten de Lacaniaanse kringen veel minder gekend. I.p.v. terug te vallen op het koppel overdracht-tegenoverdracht, comfortabel voor de analyticus, zal Lacan de analytische relatie herdenken vanuit het verlangen van de analyticus om zo het onbewuste te openen. “Wo Es war, soll Ich werden”, schreef Freud. De analytische act wordt de voorwaarde om een reductie te bewerkstelligen van het genot dat besloten ligt in het symptoom. Dit genot staat haaks op het aangename, op de lust. De vragen die hij in die periode behandeld heeft i.v.m. het reële dat aan het werk is binnen de psychoanalytische ervaring en toegespitst werden op het meer-genieten en de consistentie van het symptoom, zijn meer dan actueel. De analyticus kan niet vanuit een welwillende neutraliteit langs de lijn gaan staan. Taal/Le discours (het vertoog)/Metafoor De bepalende invloed van de taal op het denken treedt na Nietzsche en de Saussure steeds meer op de voorgrond. De taal blijkt een exclusieve toegang tot zowel onze innerlijke als uiterlijke werkelijkheid te bieden. In bepaalde takken van het Franse denken vindt een verwerking en actualisering van De Saussures taaltheorie plaats. De toepassing van de resultaten van de tekentheorie op bijvoorbeeld de antropologie (Lévi-Strauss), de godsdienstwetenschap (Dumézil), de psychoanalyse (Lacan), de literatuurkritiek (Barthes) en het historisch materialisme (Althusser) levert een nieuwe methodische inzet op: het structuralisme. Een tweetal denkers, te weten Jacques Lacan (1901-1980) en Roland Barthes (1915-1980) staan hierbij centraal. Beiden verwerken aspecten van het werk van Freud, Nietzsche, Marx en Bataille. Voor hen is het subject het effect van allerlei structurele samenhangen, een knooppunt en een netwerk van vertogen, die uit deze structuur voortvloeien. Doorgaans worden zij ‘structuralisten’ genoemd. In het latere werk van Barthes zien we echter een tendens optreden om de structuur minder statisch, dynamischer te begrijpen. 1. Vertoog. betekenis en subjectiviteit Een vertoog (discours) is een systematisch en samenhangend geheel van positieve vormen van weten (savoir), waardoor individuen in staat worden gesteld hun innerlijke en uiterlijke gedachten en hun handelen richting te geven. Een vertoog is een praktijk waarin kennisvormen (connaissance) worden geproduceerd die zich als door waarheid geschraagde kennis aandient, variërend van wetenschappelijke theorieën tot volkswijsheden. We zien een onderscheid tussen het Vertoog – de structuur – en de daardoor geproduceerde concrete vertogen en betogen, papallel aan het onderscheid tussen langue en parole. Een vertoog is dus meer dan alleen wetenschappelijke `connaissance’: het betreft iedere vorm van positief weten dat – in een bepaalde cultuur en in een afgebakende periode – aanspraak op waarheid maakt. Zo verschijnen vertoog, waarheid en betekenis als drie structurerende momenten van concrete kennispraktijken. Bij De Saussure werd een onderscheid tussen structuur en systeem gemaakt, waarbij het systeem als een concrete uitdrukking van een onderliggende structuur werd aangemerkt. Het vertoog wordt door Lacan als zo’n funderende, statische structuur opgevat. Maar het vertoog kan ook een dynamischer aspect vertonen. Iets wat we vooral bij de latere Barthes tegenkomen. Het gaat dan meer om het proces van betekenisgeving (signification). Niet om het zijn van de structuur, maar om de werking ervan, niet de ontologie, maar de semiotische pragmatiek. Met deze verschuiving van de blik naar het proces van betekenen krijgen we zicht op de praktijken waarin de inzet van kennis een gedragsbepalende factor blijkt: zo wordt in pedagogische praktijken (gezin, school, therapieën) het gedrag van individuen door menswetenschappelijke kennis (pedagogie, psychologie, seksuologie, etc.) gereguleerd en gestructureerd. De internalisering van deze kennis – de incorporering van concrete vertogen -produceert een innerlijkheid, die met de kentheoretische term `subjectiviteit’ wordt aangeduid. Subjectiviteit is het produkt van betekenisgevingsprocessen. Individuen dichten zichzelf – grotendeels onbewust – vanuit de optiek van een geïnternaliseerd vertoog een positie ten aanzien van de hen omringende wereld toe: in een collectieve identitficatie met een bepaalde zienswijze en taalpraktijk transformeren ze zich tot subjecten: beteknisvolle dragers van cultuur en geschiedenis. Een subject is dus een kentheoretische notie: een zijnswijze van individuen, waarin een specifieke omgang met de wereld wordt voorondersteld, die als `waar’ en `juist’ wordt begrepen. In deze objectivering van de dingen wordt met een claim op beheersing subjectiviteit geproduceerd. Subjecten bestaan dus niet in de alledaagse werkelijkheid: zij zijn produkten van een als praktijk voltrokken theorie. 2. Lacan: Psychoanalyse en semiologie In zijn poging Freud authentieker te lezen dan de Freudianen tracht Lacan diens werk door alle interpretaties heen een nieuwe invulling te geven. Daarbij benadrukt hij het talige aspect van Freuds analytische arbeid. Zo stelt hij dat het Onbewuste uitsluitend als taal – of technischer: als tekentaal – verschijnt. Het heeft niet zozeer een ontologische als wel een semiotische waarde. Immers, op de vraag hoe wij kennis van het Onbewuste krijgen, kan het antwoord slechts luiden dat het de taal is die ons er toegang toe verleent: we spreken er met elkaar over en schrijven erover. Ook als we dromen kunnen we de betekenis van deze beelden slechts talig communiceren of via woordspelletjes achterhalen. De literatuur- en filmsemiotiek zijn een afgeleide van deze talige insteek. Dit is niet echt nieuw. Reeds Freud betoogde dat het Onbewuste los de in woordvoorstellingen omgezette dingvoorstellingen ontoegankelijk is. Deze omzetting impliceert onvermijdelijk een invoeging van de a-logische, tijdloze beelden in een discursieve lineaire orde. Deze droomarbeid voltrekt zich onder andere door middel van verschuiving en verdichting. Ook dienen symptomen en versprekingen zich als toegangen tot het Onbewuste aan. Voor Lacan zijn dit echter alle slechts uiterlijkheden – betekenaren – die niet definitief tot hun oorsprong – de betekenis of het betekende – kunnen worden herleid. Wat het onbewuste ook moge zijn, zodra wij er greep op trachten te krijgen gebeurt dit door middel van de taal. Vandaar dat Lacan kan stellen dat “het onbewuste gestructureerd is als een taal”(L’inconscient est structuré comme un langage). Zoals we reeds zagen functioneren symptomen en woordvoorstellingen als de Saussuriaanse betekenaren. De betekenden (signifié: Lacan gebruikt doorgaans een term die beter vertaald kan worden met ‘betekenis’) zijn de onbewuste gedachteninhouden die slechts vanuit de symptomen, de betekenaren (signifiants) te begrijpen zijn. De relatie tussen betekenaar en betekenis komen overeen met de relatie symptoom~onbewuste. Het symptoom als betekenaar verwijst naar een betekende of betekenis, maar een definitieve een op een relatie tussen Sa en Sé bestaat niet. Met andere woorden: de betekenis (dat wil zeggen in laatste instantie zeggen: het Onbewuste) gaat op in de zich telkens opnieuw aandienende reeksen betekenaren. Het wijkt steeds terug, verglijdt als het ware onder de reeksen Sa. Toch spreken we erover alsof er wel degelijk iets buiten de taal bestaat. De betekenis lokt ons uit haar te (be)grijpen en wordt zo tot motor van de beweging van de betekenaren. Naar aanleiding van deze voortdurende verglijding komt Lacan tot een tweede uitgangspunt van zijn werk: “de betekenis verglijdt onophoudelijk onder de reeksen betekenaren”. 3. Metafoor en metonymie: van ontologie naar semiotiek Vervolgens vertaalt Lacan de bewegingen van verglijding van de betekenis onder de betekenaren in de psychoanalytische terminologie van de `verschuiving’ en de `verdichting’. Dit worden bewegingen in de taal: rhetorische bewegingen. Hiertoe verwijst hij naar stijlmiddelen: de metonymie en de metafoor. Metafoor en metonymie suggereren nog dat er achter de betekenaren een ware of echte betekenis schuilgaat die beide processen fundeert. Volgens Lacan wordt niet de betekenisgelijkheid (de gemeenschappelijke betekenis) verondersteld als uitgangspunt genomen, maar – zoals een goede Sausuriaanse semioloog betaamt – de differentatiie tussen de betekenaren: de tic verwijst naar een complex gedragingen, die door een bepaalde duiding van een droom teruggevoerd kunnen worden vroegere gebeurtenissen, die … enz. Achter de metaforen en metonymieën ligt geen funderende instantie of een reeds gegeven en gelijkblijvende identiteit. De taal is – zoals Nietzsche reeds duidelijk had gemaakt – door en door metaforisch en metonymisch en verwijst niet naar een ontologisch fundament. Identiteiten zijn in deze optiek effecten van metaforisatie of metonymisering. Metonymie duidt op de eindeloze verglijding van de betekenaren, terwijl de metafoor een betekenisfixatie aangeeft. De metonymie wordt even stilgezet in de metafoor, die voor korte tijd een reeks betekenaren aan een betekende of betekenis koppelt. Zo is een bepaalde identiteitservaring – de substantiële ervaring van een Ik – een effect van de overgang van de metonymische verglijding naar de metaforische fixatie. Metonymie staat derhalve gelijk met verschuiving, metafoor met verdichting. De relatie tussen de betekenis en de betekenaren wordt enigszins gewijzigd. Was er bij De Saussure nog sprake van een parallellisme tussen Sé en Sa, uit het bovenstaande kunnen we niets anders concluderen dan dat bij Lacan de betekenaar primair is. In de schematisering van de relatie S/s ( Lacan gebruikt een ander schrijfwijze: Sa is een grote S en Sé is een kleine s) wordt de absolute breuk en de onmogelijkheid om S definitief aan s te koppelen met de streep aangegeven. Betekenis en betekenaar kunnen niet tegen elkaar ingewisseld worden: er is geen equivalentie tuseen S en s. Inzoverre de taal het domein van de betekenaren is, wordt hier het primaat van de taal en het vertoog gesteld. 4. Produktie van het lk: het spiegelstadium Het belang van deze analyse voor de subjectsproblematiek is reeds aangestipt. Het voorgaande systematische verhaal vooronderstelt ontwikkelingspsychologisch de geleidelijke invoeging van het opgroeiende individu in een talige of symbolische structuur waardoor het individu zichzelf als een samenhangend centrum van zingeving kan gaan ervaren. Dit houdt in dat het opgroeiende kind door de bemiddeling van het gezin in een veelheid van bestaande verhalen, regelsystemen en vertogen (van familieanecdotes via de naamgeving en de ingesleten sociale omgangsvormen tot de familiealbums en -video’s), die reeds voor zijn geboorte aanwezig waren, wordt ingevoerd. Over dit proces heeft Freud uitputtend gesproken. Zijn noties worden door Lacan op een semiologisch vlak getild. Hoe voltrekt dit alles zich in de praktijk van de opvoeding? Het opgroeiende kind leert op een specifieke wijze met zijn wereld omgaan. Zijn handelingen en uitingen worden door zijn omgeving gestructureerd en genormeerd (van “bah, hmm, au, lief en stout” tot belerende, patriarchale socialiseringslegitimaties). Het kerngezin – vader-moeder-kind – speelt een doorslaggevende rol in dit proces. Freuds begrippenapparaat keert in zijn volle omvang terug: van de fasering van de kinderlijke ontwikkeling tot de cruciale rol van het Oedipuscomplex. Maar Lacan hanteert een nieuwe terminologie de freudiaanse doorkruist: de reële, de imaginaire en de symbolische orde. De laatste is eenvoudig te omschrijven als de veelheid van symbolische systemen – van taal tot sociale omgangsvormen – die met het begrip `cultuur’ worden aangeduid. De reële orde duidt op de harmonische toestand die het kind in de omiddellijke verbondenheid met zijn moeder in zijn eerste levensmaanden ondergaat. Er is dan nog geen sprake van een Ik-ervaring, maar veeleer van een verbrokkelde ervaring die direkt uit de bevrediging van de lichamelijke functies voortvloeit. Er is vooral sprake van een organische band met het moederlichaam. Op deze organische band wordt door de vader inbreuk gedaan. Het kind, dat van zichzelf een verbrokkelde ervaring heeft, leert zich geleidelijk aan als een samenhangende identiteit ervaren door zich aan zijn omgeving – het andere – te spiegelen. Lacan neemt dit heel letterlijk: in de spiegel ziet de baby zich pas als een geheel. Zijn reflectie weerspiegelt echter geen van te voren gegeven, oorspronkelijke eenheid, maar produceert deze juist: het anders-zijn van het spiegelbeeld wordt door het kind aanvankelijk onderkend – het wordt in de derde persoon aangesproken -, maar de vreemdheid van het andere als de Ander wordt niet erkend. We zijn via het spiegelbeeld altijd via de Ander bij onszelf. Deze gespletenheid blijft het lk duurzaam bepalen. In het spiegelstadium dat zich feitelijk tuseen de 6 en 18 maanden voltrekt, identificeert het kind zich met dit imaginaire beeld. In dit stadium treedt tevens een tendens op die het verdere leven zal beheersen: de neiging voortdurend de imaginaire eenheid van een ideaal ego te zoeken en vast te leggen. Of in termen van de semiologische analyse: om de metonymische verglijding van de betekenaren (of: spiegelbeelden) tot stilstand te brengen in een metaforische fixatie: dat ben Ik en niets anders. Het kind komt pas tot de erkenning van de Ander als zodanig door de invoeging in de symbolische orde. Aanvankelijk wordt de Ander als de Wet van de vader ervaren. Het kind wordt in ‘het vertoog van de Ander’ (de cultuur in algemene zin) ingevoerd. Identificatie met de Ander, die in de gestalte van de vader en de door hem gepersonificeerde Wet in het gezin aanwezig is, produceert tenslotte de imaginaire neerslag van het Ik. Daarmee lijkt de Ander geheel en positief geabsorbeerd te zijn. Maar het Onbewuste is nu juist die (talige) dimensie waarin alles zich nestelt wat bedreigend en negatief is voor het Ik. In de hoedanigheid van het Onbewuste krijgt de Ander als de Ander een plaats in het Ik, dat daarmee een gespleten bestaan leidt. 5. Verlangen en gemis Lacans interpretatie van Freud en zijn visie op de produktie van het Ik veronderstelt een bepaalde opvatting over het ontstaan van het verlangen. Sleutelterm daarbij is het gemis. Het kind wordt geboren en vormt een geheel met het moederlichaam: het drinkt, poept, piest, boert en huilt wanneer het wil. Het mag paradoxaal klinken, maar er bestaat in strikte zin nog geen gearticuleerd verlangen. De direkte aansluiting op het moederlichaam maakt dat het kind zich ook niet los kan maken van de omgeving en zich dientengevolge evenmin als subject tegenover een zijn behoeftes weerstrevende werkelijkheid kan ervaren. De moeder is weliswaar de eerste uitdrukking van de Ander, maar zij kan niet als zodanig erkend worden omdat haar verlangen volledig samenvalt met dat van haar kind. Pas als de direkte band tussen behoefte en bevrediging wordt losgekoppeld, wordt het subjectiveringsproces in gang gezet. De articulering van het verlangen is structureel verbonden met de subjectivering, met de vorming van het Ik.. Dit gebeurt in het proces van het spenen, zindelijk maken, kortom, door de invoering van het gemis en het gebrek in het socialiseringsproces. De vader speelt hierin een cruciale rol. Freuds Oedipuscomplex krijgt hier zijn Lacaniaanse uitdrukking. De vader voert het gemis in: hij onttrekt het verlangen van de moeder aan dat van het kind, stelt een ruimte tussen behoefte en bevrediging in en roept zodoende bij het kind het verlangen op naar dat wat eerst als vanzelfsprekend aanwezig was. Het gemis blijkt structureel voor een verlangen dat nooit volledig bevredigd kan worden. Het individu reikt voortdurend uit naar nieuwe invullingen. En juist dit maakt het mogelijk dat het Ik in de metonymische beweging zichzelf als proces opvat en steeds nieuwe metaforisaties kan ondergaan. Zodra echter een fixatie de toegang van het andere blokkeert, kan een psychische storing optreden. Het oplossen van deze storing is volgens Lacan de taak van de psychoanalyse. De psychische problemen die worden geconstateerd hebben te maken met het feit dat een rigide identificatie of een bepaalde metaforische fixatie: het imaginaire wordt gefixeerd. Daardoor verliest de persoon het besef dat hij steeds kan veranderen en zich kan hernieuwen. Dit proces wordt als een metonymische verglijding aangeduid. Dit betekent dat de Ander uit het lk wordt gedrukt, de differentie wordt ontkend en een reeks betekenaren tot ultieme betekenis wordt verheven. Citaten van Jacques Lacan “L’inconscient est un savoir structuré comme un langage” “Il n’y a pas de rapport sexuel” “L’inconscient, c’est que l’homme soit habité par le signifiant” “Pour que quelque chose existe, il faut qu’il y ait quelque part un trou” “Il n’y a pas de métalangage qui puisse être parlé” “La jouissance… prend des bords corporels sa permanence” “L’analyste fonctionne dans l’analyse comme représentant de l’objet a” “La jouissance ne s’appréhende, ne se conçoit que de ce qui est corps. De quelque façon qu’il jouisse, bien ou mal, il n’appartient qu’à un corps de jouir ou de ne pas jouir, c’est tout au moins la définition que nous allons donner à la jouissance” “Je parle avec mon corps, et ceci sans le savoir. Je dis donc toujours plus que je n’en sais” “Il n’y a de jouissance que du corps” “La femme n’existe pas, elle n’existe que de la barrée” “Tel est l’effroi qui s’empare de l’homme à découvrir la figure de son pouvoir qu’il s’en détourne dans l’action même qui est la sienne quand cette action la montre nue. C’est le cas de la psychanalyse”

5 Responses to “About”

  1. Excellent post. I was checking constantly this blog and I am impressed!
    Extremely useful info specially the last
    part 🙂 I care for such information much. I was looking for
    this particular info for a very long time.
    Thank you and good luck.

    Like

  2. Johnc682 said

    An interesting dialogue is value comment. I feel that it is best to write extra on this subject, it won’t be a taboo subject but generally persons are not sufficient to speak on such topics. To the next. Cheers dfdkgdcdceed

    Like

  3. Smithk74 said

    Actually its referred to as Search engine optimization that when i search for this post I found this web page at the top of all web pages in search engine. adddceffabgbdage

    Like

  4. Johnf685 said

    Hmm it looks like your site ate my first comment it was extremely fdabdgegakgb

    Like

  5. Smithg30 said

    reverse phone lookup cell free I wish to voice my gratitude for your generosity giving support to individuals kkdddfacgefbeaee

    Like

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s